Medeplegen

Door: Kayleigh Jansen

Enkele weken geleden werd bekend dat Giërmo B, verdacht van het medeplegen van de moord op strafrechtadvocaat Derk Wiersum, langer in hechtenis blijft. B. zelf ontkent alle betrokkenheid, en zijn advocaat, Tjalling van der Groot, stelt dat zijn cliënt niet voldoet aan het signalement van de schutter. Zou toch sprake kunnen zijn van medeplegen van moord, ook al was B. zelf niet aanwezig bij de moord?

Voor een uiteenzetting van medeplegen kan worden teruggegrepen op het overzichtsarrest uit 2014 en de aanvullingen die hierop volgden in 2015 en 2016.[1] Hieruit volgt dat uit de concrete omstandigheden van het geval moet volgen dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd wanneer de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.[2] In deze arresten wordt geprobeerd een onderscheid aan te brengen tussen medeplegen en medeplichtigheid. Zo is de motiveringseis aangescherpt in gevallen waarbij het gedragingen betreft die in verband plegen te worden gebracht met medeplichtigheid.[3]   

De wezenlijke bijdrage van een verdachte wordt steeds belangrijker voor de bewezenverklaring van medeplegen. Al in het Wormerveerse brandstichting-arrest werd ingegaan op wat de bijdrage van een verdachte precies in moet houden om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen: de bijdrage moet substantieel zijn en moet niet slechts bestaan uit handelingen tot hulpverlening. Hierbij kan onder andere worden gelet op bewijsbaarheid van mogelijk afspraken die tussen de medeverdachten zijn gemaakt en op de inwisselbaarheid van de rollen.[4]

De omstandigheden moeten voldoende zwaar wegen om te kunnen spreken van medeplegen, maar het hoeft niet zo te zijn dat de bijdrage noodzakelijk of onmisbaar is geweest. Op deze manier wordt voorkomen dat het bereik van medeplegen te eng zou worden. In het bijzonder zou een gezamenlijke uitvoering van een delict wijzen op een bewuste en nauwe samenwerking en daarmee op een bijdrage van voldoende gewicht.[5] Annotator Mevis waarschuwt echter dat niet te snel moet worden uitgegaan van een gezamenlijke uitvoering indien niet direct sprake is van een uitvoeringshandeling of aanwezigheid, omdat dit het begrip medeplegen zou verzwakken.[6]

In het hierboven genoemde aanvullende arrest uit 2016 werd met het gewicht van de bijdrage van de verdachte een grens gesteld tussen medeplegen en medeplichtigheid.[7] Waar medeplegen regelmatig een strafverzwaringsgrond oplevert, staat op medeplichtigheid een lager strafmaximum. Wanneer bewijs voor een daadwerkelijke bijdrage aan de uitvoering van het delict ontbreekt en de verdachte ook geen duidelijke rol heeft gespeeld in de voorbereiding, zal het ingewikkeld zijn om de verdachte als medepleger te kunnen aanmerken.[8] Dit geldt ook voor gedragingen die met medeplichtigheid in verband trachten te worden gebracht. De Hoge Raad heeft voorbeelden gegeven van zulke gedragingen, namelijk het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan of helpen bij de vlucht.[9]

Wanneer het gaat om gedragingen van medeplichtigheid, betekent dit niet automatisch dat medeplegen is uitgesloten. Bij een opeenstapeling van gedragingen die met medeplichtigheid in verband trachten te worden gebracht, – dan wel voor en/of tijdens en/of na het delict – kan dit ook leiden tot een bijdrage van voldoende gewicht om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen.[10] Indien de verdachte gedurende het delict geen uitvoeringshandelingen verricht, moet van tevoren kunnen worden vastgesteld dat de dader betrokken was bij een gemeenschappelijk plan.[11] Annotator Rozemond heeft in 2016 aangegeven dat bij medeplegen een belangrijke plaats moet worden toegekend aan de uitvoering van een gezamenlijk plan, en de intentie van de verdachte – die uit de bijdrage moet blijken – om het doel van het plan te verwezenlijken.[12]

Hoewel kan worden gezegd dat medeplegen een redelijk ruim bereik heeft, blijkt uit bovenstaande dat de teugels inmiddels wel wat zijn aangetrokken. Van groot belang is of het substantiële aandeel van de medepleger voldoende duidelijk is.[13] Of Giërmo B. kan worden aangemerkt als medepleger bij deze moord, zal door de rechter moeten worden bepaald.

[1] Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR2015:716, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond.

[2] HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, r.o. 3.1 en 3.2.1, NJ 2015/390, m.nt. Mevis.

[3] HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, r.o. 3.2.2, NJ 2015/390, m.nt. Mevis.

[4] HR 29 oktober 1934, ECLI:NL:HR:1934:BG9443, NJ 1934, p. 1673 (Wormerveerse brandstichting).

[5] J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 462-463.

[6] HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:10, NJ 2015/399, m.nt. Mevis.

[7] HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond.

[8] K. Rozemond, De methode van het materiële strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2006, p. 137.

[9] HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:336, NJ 2017/244, m.nt. Rozemond, r.o. 2.3.

[10] HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2799, RvdW 2017/1189, r.o. 3.5.

[11] HR 19 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9461 NJ 1994, 50, m.nt. Van Veen (Sportkantine).

[12] HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, m.nt. Rozemond.

[13] J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 477.