Belangenafweging door de Rechter bij Vormverzuimen

Door: Felicia Lakerveld

De strafrechter mag een sanctie verbinden indien er een geschreven of ongeschreven regel of voorschrift is geschonden. In dat geval moet de strafrechter een belangenafweging maken tussen enerzijds het belang van het berechten van strafbare feiten en anderzijds het in acht nemen van de mensenrechten van de verdachte.

In artikel 359a Sv staan drie vragen die je bij vormverzuimen moet beantwoorden:

  1. Is art. 359a Sv van toepassing?
  2. Zo ja, moet er een sanctie worden verbonden aan het vormverzuim?
  3. Zo ja, welke sanctie moet dat zijn?

Is artikel 359a Sv van toepassing?

Om de vraag te beantwoorden of er aan de toepassing van art. 359a Sv is voldaan moet er gekeken worden of er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek[1]. Er is sprake van een vormverzuim indien er een norm geschonden is. Verder moet het vormverzuim zien op het ten laste gelegde feit en moet het een onherstelbaar verzuim zijn. Met terugwerkende kracht is het dan niet meer mogelijk om het verzuim te herstellen. Ook mag er geen rechtsgevolg blijken uit de wet[2] of mag het verzuim niet zien op vrijheidsbenemende dwangmiddelen.


Moet er een sanctie worden verbonden aan het vormverzuim?

Bij de beoordeling of er een sanctie moet worden verbonden aan het vormverzuim zijn een paar punten van belang:

  1. Welk belang dient het geschonden voorschrift? Er moet getoetst worden aan de Schutznorm[3]:
  2. Het moet gaan om het belang van de verdachte die geschonden is en het mag dus niet gaan om een ander persoon dan de verdachte
  3. Wat is de ernst van het verzuim? Hoe groter de ernst van het geschonden belang van de verdachte des te zwaarder de sanctie voor dit vormverzuim moet zijn.
  4. Welk nadeel wordt daardoor veroorzaakt? Is de verdachte echt geschaad door het verzuim?

Welke sanctie is passend?

De strafrechter heeft een discretionaire bevoegdheid om een straf op te leggen. Dit houdt in dat de strafrechter niet verplicht is om een sanctie op te leggen na een vormverzuim.

Er zijn een aantal sancties die de strafrechter op kan leggen:

  1. Strafvermindering[4]= indien de strafrechter over gaat tot de sanctie strafvermindering dan moet er sprake zijn van:
    • Nadeel= concreet ongemak in de persoonlijke omstandigheden.
    • Causaal verband= er moet een causaal verband bestaan tussen de fout van de politie en het nadeel dat door de verdachte wordt geleden hierdoor.
    • Het vormverzuim moet geschikt zijn voor de sanctie strafvermindering.
    • De sanctie strafvermindering moet het vormverzuim rechtvaardigen.
  2. Bewijsuitsluiting[5]= indien de strafrechter over gaat tot de sanctie bewijsuitsluiting dan moet er sprake zijn van:
    • Bewijs dat door verzuim verkregen is.
    • Belangrijk strafvorderlijk voorschrift of beginsel is geschonden –> bijvoorbeeld een schending van EVRM bepalingen.
    • In aanzienlijke mate geschonden –> er moet flink wat mis zijn gegaan om tot deze sanctie te kunnen komen.
  3. Niet-ontvankelijkheid van het OM[6]= dit is de zwaarste sanctie en hier kan de strafrechter alleen voor kiezen indien:
    • Er sprake is van een onherstelbare inbreuk van het recht op een eerlijk proces –> indien er niks gecompenseerd kan worden.
    • Hele zware categorieën bijvoorbeeld als er ontlastend materiaal uit het dossier worden gehaald en worden vernietigd of de politie die in het proces-verbaal niet de waarheid spreekt.

Ook is het nog mogelijk om een declaratoir vonnis te wijzen. De strafrechter stelt dan in het vonnis vast dat er een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit is een vorm van erkenning dat de politie een vormverzuim heeft begaan.


Toepasselijke jurisprudentie

HR Afvoerpijp

In dit arrest heeft de opsporingsambtenaar een afvoerpijp in de kelder van de woning losgetrokken. Dit gaat verder dan zoekend rondkijken en dit kan worden gezien als een doorzoeking. Hier is een machtiging voor nodig van de Officier van Justitie. De Schutznorm in dit arrest is geschonden, maar die schending is alleen mogelijk als het gaat om de belangen van de verdachte. Die waren hier niet geschonden, want de verdachte woonde niet op het adres waar de afvoerpijp was losgetrokken.[7]

HR Ophoudhok

In dit arrest is de verdachte aangehouden met geweld. De Hoge Raad oordeelde dat de onregelmatigheden in de wijze waarop de verdachte is aangehouden en ingesloten op zichzelf niet meebrengen, dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Niet-ontvankelijkheid van het OM komt dan ook niet in aanmerking als rechtsgevolg. Voldoende ernstig nadeel van verdachte dat bijvoorbeeld is ontstaan door schending van lichamelijke integriteit bij toepassing van dwangmiddelen, kan grond bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering.[8]


Conclusie

Op het tentamen is het van belang om te kijken welke vraag van art. 359a Sv centraal staat. Soms is het niet nodig om verder te gaan dan vraag 1. Dit scheelt veel kostbare tijd op je tentamen. Gebruik de stappenplannen hierboven en vergeet geen conclusie te geven, zodat je de tentamenvraag goed beantwoord.


[1] Artikel 132a Sv.

[2] Artikel 349 lid 3 of artikel 21 lid 4 Sv.

[3] Artikel 6 en artikel 8 EVRM.

[4] Artikel 359a lid 1 sub a Sv.

[5] Artikel 359a lid 1 sub b Sv.

[6] Artikel 359a lid 1 sub c Sv.

[7] HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM:2533 (Afvoerpijp).

[8] HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 (Ophoudhok).

Leave a Comment